|
 |
|
MIRJAM DIATLOWICKI
CONTEXTUELE THERAPIE, FAMILIETHERAPIE, COACHING, SUPERVISIE EN BEGELEIDING
|
|
De invloed van het gezin van herkomst op de werkplek
3 Burnificatie
'What's in a name'
|
|
In alle door mij gelezen boeken die burnout behandelen komt naar voren
dat mensen met bepaalde persoonskenmerken extra kwetsbaar zijn om op den
lange duur op te branden. Ik heb deze kenmerken naast de lijst met gevolgen
van parentificatie gelegd. Het is opvallend hoe de beide lijsten overeen
komen, hoe hoog aan de ene kant de eisen aan zichzelf zijn en hoe laag het
eigenbeeld is. Dit lijkt een grote innerlijke tegenstelling, op een
innerlijk uit-balans zijn.
 |
hoog verwachtingspatroon |
 |
perfectionistisch |
 |
slecht grenzen kunnen stellen |
 |
grote werkinzet |
 |
slecht kunnen delegeren |
 |
ervaringsdeskundigen |
 |
sterk invoelingsvermogen |
 |
neiging tot depressiviteit |
 |
aangeleerde hulpeloosheid |
 |
gebrek aan zelfvertrouwen |
 |
hoge eisen aan zichzelf stellen |
|
 |
perfectionistisch |
 |
grenzenloos / rigide |
 |
zich oververantwoordelijk voelen |
 |
opofferend zijn |
 |
behoefte zichzelf te bewijzen |
 |
geëxploiteerd voelen en zijn |
 |
de ander overvragen omdat men zich uitgebuit voelt |
 |
gevoelig voor andermans noden |
 |
weinig kunnen ontvangen / geven |
 |
aangeleerde hulpeloosheid |
 |
verplaatste toewijding |
|
|
| |
 |
4.1 Overeenkomsten |
Een opvallende overeenkomst tussen de
onderzoekers in de boeken ’Opgebrand’, ‘Preventie, ziekteverzuim, stress en
burnout’, ‘Behandelingsstrategieën bij burnout’ en ‘Stress aan het werk’ is
het grote belang dat toegekend wordt aan het verwachtingspatroon dat iemand
met betrekking tot zijn of haar werk heeft. Stevens & o’Neill hebben
in 1983 aangetoond dat hulpverleners met hoog gestemde verwachtingen meer en
eerder opgebrand waren dan die met een wat realistischer visie. Die visie is
bepalend voor het te verwachten resultaat en niet voor gedrag, want zo zal
de ene lerares het als een teken van interesse ervaren als er tijdens de les
steeds vragen worden gesteld, terwijl haar collega het juist als
desinteresse ervaart als er gepraat wordt. Het niet bereiken van het
verwachtte resultaat wordt dan ook vaak genoemd als oorzaak van burnout,
bijvoorbeeld bij een therapeut waar cliënten wegblijven, of in de verpleging
als er veel sterfgevallen zijn. Het kunnen omgaan met tegenslagen en
het zoeken naar nieuwe of andere oplossingen is een belangrijk en veelvuldig
voorkomend werkonderdeel, vooral in de sociale sector. Geparentificeerden
hebben hier, door hun gebrek aan autonomie en vertrouwen, juist moeite mee.
Het verschil van handelen van een volwassene die als kind positief - of
destructief geparentificeerd is, heb ik in de volgende voorbeelden
aangegeven. Ik maak hier onderscheid tussen deze twee parentificaties, omdat
het mijn ervaring is dat destructieve parentificatie en zijnsafhankelijkheid
de grootste burnout risico vormen. |
| |
 |
4.2 Positieve parentificatie |
Als nieuwe therapeut komt een sterk
gemotiveerd persoon met hoge verwachtingen in een stimulerende omgeving
terecht, waardoor zij in staat is om goede prestaties te leveren. Ze heeft
geleerd dat inzet beloond wordt en maakt gebruik van de stimulerende
omgeving. Zij stelt hoge, maar haalbare eisen aan zichzelf en ziet een
inwerkperiode als leertijd. Als het doel bereikt is ervaart zij een gevoel
van succes, wat gevoelens van bekwaamheid en autonomie oplevert. Dit
positieve gevoel versterkt weer de motivatie en de positieve cirkel kan
opnieuw beginnen. Als het doel niet bereikt wordt, is dit niet direct een
verlies van autonomie of een persoonlijke afwijzing, maar een uitdaging en
leerpunt om het op een andere manier nog eens te proberen. Mocht dit ook nog
niet de gewenste resultaten opleveren, dan zullen de verwachtingen worden
bijgesteld, hulp gevraagd worden, of eerst bepaalde vaardigheden aangeleerd
worden. Deze therapeut zal zich niet als mens afgewezen en mislukt voelen of
te veel eigen vrije tijd aan het werk gaan besteden. Pas als deze cirkel
meerdere keren een negatief resultaat heeft opgeleverd, zal deze persoon
gedesillusioneerd en ten slotte eventueel in een burnout syndroom raken. |
| |
 |
4.3 Destructieve parentificatie |
Een andere therapeut die net zo sterk
gemotiveerd in dezelfde stimulerende omgeving komt voelt al voor zij begint
de druk om te presteren, waardoor zij met hogere verwachtingen begint en een
eerste stressfactor is ingevoerd. Een inwerkperiode zal voor haar geen
leerproces zijn, maar een eerste test voor het eigen handelen. Zij moet
vanaf het begin uitmuntend presteren en zal fouten niet als leerpunten maar
als mislukkingen en gevoelens van onbekwaamheid voelen. Zij ervaart haar
eigen handelen al snel als falen in plaats van stimulans of uitdaging om het
op een andere manier te proberen. Deze persoonlijke mislukking brengt
de oude leegte door gebrek aan erkenning en betrouwbaarheid en het grote
verlangen hiernaar terug, het raakt de therapeut op een diep en oud niveau.
Haar eigenwaarde en -beeld worden aangetast. Zij heeft nooit geleerd dat
inzet autonomie op kan leveren, je je mag vergissen zonder te mislukken of
dat een fout een (goed) leerpunt kan zijn. Door het vroegere tekort aan
betrouwbaarheid denkt zij het recht op genegenheid of collegialiteit
verspeeld te hebben, waardoor zij geen hulpbronnen aanspreekt en aangeboden
hulp niet kan ontvangen en zal afwijzen. Zij trekt zich gekwetst terug en
gaat het nog een keer alleen en op dezelfde manier proberen, zonodig in de
eigen vrije tijd. Omdat zij vroeger geleerd heeft dat het nooit genoeg
was en niet andere oplossingen heeft geprobeerd, zal haar gedrag minder
flexibel en probleemoplossend en aan de andere kant grenzeloos zijn. Deze
persoon zal door de negatieve resultaten eerder gedesillusioneerd in een
negatieve spiraal en in een burnout syndroom raken. Vooral door het eigen
perfectionisme zullen goede resultaten niet als zodanig ervaren worden en
positieve reakties van cliënten of collega’s niet ontvangen kunnen worden.
De balans van geven en nemen is volledig uit balans en van een ‘dialoog’ is
geen sprake, het is eenrichtingsverkeer.
|
| |
 |
4.4 De balans tussen geven en nemen |
De zelfvalidatie die de eerste therapeut
heeft opgebouwd doordat zij erkenning voor haar inspanningen heeft gekregen
stelt haar in staat om haar grenzen te stellen waar zij dit nodig vindt,
zonder bang te zijn afgewezen te worden. Zij heeft genoeg betrouwbaarheid
ervaren en autonomie ontwikkeld om zich vrij in gebondenheid te voelen. Toch
zal deze therapeut ook de nodige eigenschappen in het vorige lijstje
herkennen. Maar zij heeft meer vertrouwen ontwikkeld, zowel in zichzelf als
haar omgeving om haar ervaringen (parentificatie) op een positieve manier te
gebruiken, zodat zij gepaste zorg kan geven en ontvangen en daarmee de
dialoog aangaan. De destructief geparentificeerde therapeut mist deze
validatie en is steeds bezig over de eigen grenzen heen te gaan en anderen
daarover heen te laten komen. Zij kan geen gepaste zorg geven of ontvangen.
Nagy zegt hierover:
‘De therapeut investeert echte
zorg, competentie, vaardigheid en vertrouwen in ruil voor impliciete
investering van vertrouwen door de cliënt in de therapeut. Wederkerigheid
vormt de kern van hun contract en is in ruime mate voorhanden, echter nooit
symmetrisch. De therapeut ontmoet zijn cliënt en laat van zichzelf zien dat
hij ook een mens is.
Maar hij laat nooit in dezelfde mate als de cliënt zijn
gekwetstheid zien en is niet van hem afhankelijk voor genezing. Therapie kan
ogenblikken van echte ontmoeting tussen twee mensen voortbrengen. De mate
van investering over en weer en het niveau van onderlinge verwachtingen zijn
echter altijd ongelijk.’ |
ZIE LITERATUURLIJST |
| |
 |
4.5 Afstandelijke betrokkenheid |
Zonder dat te willen vindt er bij de laatste
therapeut een verstrengeling van beroep en persoon plaats. Mislukken als
professional betekent falen als mens. Men probeert de vroeger thuis nooit
ontvangen erkenning op de werkplek alsnog te innen. Hier wordt de oude
rekening van thuis op de werkplek gepresenteerd. Dat maakt meteen duidelijk
waarom deze mensen geen afstand kunnen houden, ze kennen en voelen geen
afstand. Het niet in staat zijn tot afstand betekent dat je zelf nog
met een proces bezig bent, zelf op een bepaald niveau cliënt bent. Miller
zegt hierover: ‘als je je eigen woede niet hebt geuit, dan sla je bij je
cliënt ook die fase over’. Je bent in die situatie dus niet in staat je
cliënt ten volle te helpen. Nagy zegt hierover: ‘Therapie zou verkeerd
worden uitgeoefend wanneer iemand ongevoelig zou zijn voor andermans
lijden’1. Pas als je contact kunt maken met jezelf en je jezelf de
moeite waard vindt, ben je in staat je open te stellen voor de problemen van
je cliënten en kun je je cliënten de moeite waard vinden. Je kunt dan
oprecht plezier beleven aan het zorgen voor anderen, omdat je in staat bent
ook van die ander te ontvangen zodat de balans in een beter evenwicht komt.
Nagy schrijft in het boek ‘Tussen geven en nemen” het volgende:
‘In de ontwikkeling van een vertrouwensvolle
therapeut-cliëntrelatie zijn emotionele processen betrokken,
dus is het
altijd mogelijk dat therapeut en cliënt emotioneel verstrengeld raken’.
Het is dus belangrijk zich van de overdracht en afhankelijkheid van de
cliënt bewust te blijven als een goede en afstandelijk betrokken therapeut.
Bij (destructief) geparentificeerde therapeuten kan er (te) veel
betrokkenheid zijn, dat is indertijd een van de redenen geweest om dit
beroep te kiezen. Vooral in de verzorgende sector zal veel emotionele
belasting voorkomen, dit roept intuďtief verzet op om de belasting te
verminderen. Een manier om hiermee om te gaan is afstandelijke
betrokkenheid, maar dat is juist zo moeilijk voor geparentificeerde mensen.
Zo kan het gebeuren dat er in plaats van afstand cynisme ontstaat. Deze vorm
van depersonalisatie kan een poging zijn de emotionele schade te beperken.
In ‘Opgebrand’ staat een onderzoek naar emotionele uitputting en burnout bij
Psychologen en psychotherapeuten. Zij ervaren ook vaak gevoelens van
depersonalisatie, maar hebben minder last van gevoelens van verminderde
bekwaamheid. Zij investeren emotioneel veel en zien bovendien over het
algemeen alleen hun mislukkingen terug. Het kan ook zijn dat scholing hier
mee te maken heeft, hoe hoger de opleiding, des te vaker is er sprake van
burnout. Dit zou te maken kunnen hebben met (te) hoge verwachtingen en de
druk (stress) hieraan te moeten voldoen. Wellicht dat als reactie daarop zij
een zelfbeschermende afstandelijkheid ontwikkelen die tot depersonalisatie
leidt. Verder is het opvallend dat vrouwen vooral emotioneel uitgeput
zijn en mannen meer depersonaliseren. |
| |
 |
4.6 De arbeidsomstandigheden |
Soms zijn er duidelijke aanwijzingen over de
oorzaak, als de leiding binnen een instelling niet goed functioneert, of de
werkdruk is te hoog, dan is het duidelijk dat daar verandering in moet
komen. Liggen de oorzaken inderdaad voor een groot deel op het werk, dan
kunnen de onderstaande bestaande technieken helpend zijn. Om goed te
herstellen van een burnout syndroom moeten een aantal fasen doorlopen
worden. Als je deze fasen rond een cirkel plaatst wordt het duidelijk dat
maatregelen noodzakelijk zijn om niet in een negatieve vicieuze cirkel
terecht te komen, zodat het proces weer van voren af aan opnieuw zal
beginnen.
In alle in de literatuurlijst genoemde boeken over stress en burnout staan
interventiestrategieën, waarvan de meest voorkomende stresshantering, RET,
ontspanningstechnieken, time management en communicatietrainingen zijn. Het
is niet mijn bedoeling deze hier te bespreken. Deze technieken hebben hun
waarde allang bewezen en zijn onmisbaar voor herstel en coping met stress en
burnout. Wat ik wil proberen is vanuit de contextuele benadering hier iets
extra’s aan toe te voegen, in ieder geval voor die mensen die het gevoel
hebben dat de oorzaak van de ziekte niet alleen op het werk of in de
maatschappij ligt maar ook met henzelf te maken heeft of zichzelf herkennen
in het symptomenlijstje. |
| |
 |
4.7 Contextuele benadering |
Evenals andere mensen
dragen contextueel therapeuten bedekte of openlijke elementen van
destructief gerechtigde aanspraak met zich mee. Als zij echter persoonlijk
verantwoordelijkheid op zich kunnen nemen voor onbillijke vooroordelen en
deze beginnen te verwerken, kan de richting van destructief gerechtigde
aanspraak worden omgekeerd. De mate waarin elke therapeut zijn dilemma ten
aanzien van destructief gerechtigde aanspraak kan onderkennen en ermee
worstelt, kan hem toenemende kundigheid verlenen in het begeleiden van
andere mensen die vastzitten in de pijn van vervreemding en gerechtvaardigde
zelfverwijten. In contextueel werk zijn therapeuten verplicht te beginnen
bij de achterlijn van hun eigen verantwoordelijkheid, net als ieder ander’.
ZIE LITERATUURLIJST
Vanuit de contextuele gedachte kun je zeggen dat iemand pas kan genezen als
hij in staat is te ontvangen, zodat de balans wat meer in evenwicht kan
komen en een dialoog mogelijk is. ‘Echt ontmoeten is
te vinden in verantwoordelijke zorg;
dat wil zeggen; in respect van
therapeut en cliënt voor
elkaars welzijn en succes.
Deze verantwoordelijke
bezorgdheid bepaalt de essentie
van de therapeutische ontmoeting’.
ZIE LITERATUURLIJST
Iedereen die is opgebrand zal eerst moeten toegeven in een crisis te zijn
beland, dat de grens tussen gezond en ziek zijn is overschreden, dat er hulp
gezocht moet worden. Dit is dezelfde fase waarin de alcoholist, beseft
alcoholist te zijn. Het kan helpend zijn om in therapie of in supervisie aan
de balans te werken door naar het gezin van herkomst te kijken en een
genogram te maken, waar je nadien een werkgenogram naast kunt leggen. Ben je
een positief of destructief geparentificeerd kind, wat was je rol in het
gezin, was je het oudste/jongste kind. En wat is je rol op het werk, voel je
je geëxploiteerd, verantwoordelijk, ben je een bemiddelaar. Nagy zegt:
‘Als een therapeut de moed heeft zijn eigen uitbuitend
gebruik van familieleden met wie hij een hechte band heeft,
onder ogen te
zien, kan hij gestaag de verbondenheid met de benadering verdiepen en steeds
vaardiger worden
in het toepassen van veelzijdige partijdigheid’.
ZIE LITERATUURLIJST
Kijken naar mijn rol thuis en op het werk, gaf mij de mogelijkheid om te
zien dat ik mezelf aan het exploiteren was, dat ik probeerde erkenning te
krijgen op de verkeerde plek. Ik heb een gesprek met het management
aangevraagd om mijn functie duidelijk te krijgen en de hoeveelheid aan
verschillende werkzaamheden ingeperkt. Door op deze ethisch relationele
manier hiermee bezig te zijn, hoefde ik me geen slachtoffer meer te voelen
en kreeg ik al zoveel lucht dat het beter ging. De balans kwam in beweging.
De feiten uit het verleden kun je niet veranderen, wel de manier hoe je er
tegenaan kijkt en daarmee ook de daarmee gepaard gaande gevoelens. |
| |
 |
4.8 Casus K |
K is 40 jaar en oudste zoon. Hij heeft twee
broers van 39 en 33 en een zuster van 30 jaar. Moeder voelt zich door
grootouders slecht behandeld en miskend, vader werkt en laat de leiding over
het gezin aan moeder over. Moeder kan dit niet aan en zoekt steun bij K. Hij
heeft het gevoel samen met moeder het gezin te runnen, hij voelt dat het
nooit genoeg en nooit goed was en voelt zich miskend en slecht behandeld. De
drie jongste kinderen wonen nog thuis als moeder acht jaar geleden
overlijdt. Als vader twee jaar later overlijdt wonen de twee jongsten nog
thuis. Hij heeft het gevoel nog steeds vader en moeder te zijn voor zijn
broers en zuster. De kontakten met de rest van de familie lopen haast
allemaal via hem. Als hij 16 is gaat hij intern in de verpleging tot
hij in dienst moet. Daar krijgt hij een taak die het best te omschrijven
valt als intermediair; hij zorgt voor het dagelijkse reilen en zeilen van
zowel de manschappen als de leiding. Hij regelt broodjes en andere speciale
zaken, tot ieders tevredenheid, hij heeft het er naar zijn zin. Na de dienst
ontwikkelt hij zich tot een gewaardeerd medewerker en heeft een loopbaan bij
meerdere instellingen. Momenteel werkt hij bij een asielzoekerscentrum. Hij
vervangt de coördinator als die met vakantie of ziek is, neemt diensten van
zieke collega’s over, werkt hard, is perfectionistisch, nooit ziek, geeft
zich voor 150% en vindt dat zijn collega’s slordig werken en de coördinator
niet echt goed functioneert. Zijn teamgenoten vinden hem ongrijpbaar en
grenzeloos in zijn hulpverlening, hij voelt zich hierdoor miskend en slecht
behandeld. Met kritiek kan hij slecht overweg, voelt zich snel persoonlijk
aangesproken. In zijn hart ambieert hij de functie van de coördinator,
maar zegt niet genoeg ervaring en zelfvertrouwen te hebben voor zo’n
functie. Ook in zijn relaties is hij streng en vindt dat ze perfect moeten
zijn. Tijdens het gesprek maakten we een genogram van zijn gezin van
herkomst en een tweede, van de werkplek. Dat bracht steeds meer
overeenkomsten aan het licht, wat K. de gelegenheid gaf om te zien wat dit
voor hem betekende en wat zijn eigen aandeel hierin was. Hij voelde zich
gerechtigd actie te ondernemen, heeft supervisie aangevraagd en een gesprek
met broer en zus gehad. |
|
  |
| |
 |
4.9 Casus V |
V is 35 jaar en de jongste dochter. De
ouders hebben een moeizame relatie, waarbij zowel de kinderen als moeder
mishandeld worden. Moeder is van allochtone afkomst en doof, mede hierdoor
leeft het gezin enorm geďsoleerd. V. is het zonnetje in huis, het
lievelingetje van vader en het witte schaap, in tegenstelling tot haar
zuster. Broer is moeders oogappel. De ouders scheiden als V. 11 jaar is en
ze verliest het contact met vader. Beide ouders zijn inmiddels overleden. De
relatie tussen de kinderen is al jaren verstoord en er is geen contact.
Ze heeft meerdere relaties gehad en is sinds zeven jaar in een stabiele en
voedende relatie. Zij werkt al jaren in de vrouwenhulpverlening in een
team van verschillende culturen. Ze voelt zich een buffer tussen zwart en
blank, bij alle twee half thuis en half buitenstaander. Ook tussen de
directrice en het team ervaart ze zichzelf in deze positie. Haar inzet en
invoelingsvermogen is enorm, als collega en hulpverlener wordt ze enorm
gewaardeerd. De directrices inzet is groot, ze werkt soms mee in de opvang
en heeft voor iedereen en op alle vragen tijd. V heeft moeite met collega’s
die alles eerst overleggen en werkt het liefst zelfstandig, ook vindt ze
collega’s vaak te grenzeloos. Zelf zou ze het liefst sfeer voor de vrouwen
creëren, koffie drinken, contact maken, gesprekken voeren en een voorbeeldfunctie hebben.
Ze heeft zich een half jaar geleden overspannen ziek gemeld
en is sindsdien niet meer aan het werk geweest. Het werken met de
genogrammen geeft haar de gelegenheid haar eigen aandeel in het geheel te
zien en maakt haar vrij stappen te ondernemen om het contact met broer en
zus te herstellen. Ze gaat op zoek naar een andere baan omdat ze het gevoel
heeft de fase waarin deze vrouwen zitten zelf ontgroeid te zijn. Ze heeft
het gevoel weer grip op haar leven te krijgen. Omdat behalve V. er nog
een aantal werkers al lange tijd ziek thuis zijn, lijkt het nuttig ook naar
de rol van de leiding te kijken. Deze directrice vertoont zelf grenzeloos
gedrag, waardoor het onwaarschijnlijk lijkt dat ze in staat is de werkers
hun positieve feedback te geven, omdat ze hier zelf nog naar streeft.
Doordat zij verschillende functies bezet, is het niet voor iedereen
duidelijk hoe de rollen precies verdeeld zijn, wat ook stress verhogend
werkt. De cliënten - die door hun verleden een behoorlijke portie aangeleerde
hulpeloosheid hebben - doen in deze vorm van hulpverlening een enorm appčl op
het gevende en verantwoordelijke in de hulpverlener. Het lijkt te
betwijfelen of hier professionele afstand bewaard wordt. |
|
  |
| |
 |
4.10 De dialoog |
Een andere mogelijkheid om de balans in
beweging te krijgen geeft Marc Nevejan in zijn lezing van 15 maart 1997 over
de moeite die hij had met pensioneren. Hij deed een geleide fantasie waarin
hij zich realiseerde dat hij therapeut was voor zijn vader, als een
geparentificeerd kind nog steeds probeerde erkenning te krijgen. Zijn
therapeutschap hield zijn reeds lang overleden vader in hem zelf in leven.
Het was het vaderschap dat hij voelde voor zijn cliënten en eigen kinderen.
Deze fantasie gaf hem het inzicht dat hij therapeut was voor zijn vader. Hij
kon nu rustig pensioneren zonder daarmee zijn vader te verliezen.
Freudenberger geeft als remedie: ‘Closeness. Dat is
exact het tegenovergestelde van relaties verbreken en afstand scheppen, wat
burnout patiënten juist doen. Om de nabijheid van de ander te kunnen
ervaren, moet men eerst in contact komen met de eigen gevoelens. Dat kan een
pijnlijk en moeizaam proces zijn. Men moet leren zich kwetsbaar en open op
te stellen en de eigen problemen niet langer ontkennen. Op deze manier,
aldus Freudenberger, zal het levensvuur niet langer verterend, maar
verwarmend zijn’. Dit komt sterk overeen met de ‘dialoog’ van Nagy
en de uitspraak van Buber ‘Alle werkelijk leven is
ontmoeting’. Bij allemaal gaat het om het zich open stellen en
werkelijk contact maken. |
| |
 |
4.11 Conclusie |
Er is niet één oorzaak aan te wijzen voor
burnout en soms is er zelfs helemaal geen oorzaak aan te wijzen. Het is een
proces waarbij fysieke, sociale en/of mentale belastende zaken tot een
onoplosbaar probleem uitgroeien. Dat wil niet zeggen dat het probleem of de
problemen onoplosbaar zijn, maar dat het als zodanig ervaren wordt.
Destructief geparentificeerde therapeuten vormen een risicogroep om met het
burnout syndroom in aanraking te komen. Zij hebben een groot aantal
(risico)persoonskenmerken waardoor ze extra kwetsbaar zijn om zich aan hun
eigen vuur te verwonden. De contextuele benadering biedt de
mogelijkheid om naast de gedragsgerichte interventiestrategieën op een (intergenerationeel)
menselijk niveau hulpbronnen aan te boren. Het hebben van een sociaal
netwerk zowel privé als op het werk, dus voldoende hulpbronnen, kan heel
helpend zijn. Dat houdt in dat het ontbreken van deze hulpbron
stressverhogend werkt. Het ondernemen van actie, het aangaan van de dialoog,
het maken van een genogram en het gebruiken van aanwezige hulpbronnen,
creëren allemaal de kansen om de verstoorde balans meer in evenwicht te
brengen. Een ethisch relationele aanpak lijkt hiermee ook preventief
te zullen werken, daar therapeuten die in balans zijn en een realistische
verwachting hebben, minder kans lopen in een negatieve spiraal terecht te
komen en uiteindelijk (weer) burnout te raken. |
| |
 |
4.12 Aanbevelingen |
Ik zou bij het begin, bij de opleidingen
willen beginnen. Het lijkt mij waardevol tijdens de opleiding tijd en
aandacht te besteden aan het gezin van herkomst door middel van het maken
van een genogram, zodat de aankomende hulpverleners meer inzicht in hun
eigen motieven kunnen ontwikkelen. Bovendien denk ik dat de
opleidingen reële informatie over de later uit te oefenen professie kunnen
geven en het niet onnodig mooier laten lijken dan het is, zodat geen
onvervulbare verwachtingen gewekt worden en een oprechte beroepskeuze
mogelijk is. Voor de Voortgezette Opleidingen zou ik willen pleiten om
naast het programmaonderdeel ‘gezin van herkomst’ ook tijd en plaats in te
ruimen voor het kijken naar ‘het gezin van herkomst op de werkplek’. Waarmee
de mogelijkheid geboden wordt om de beide genogrammen naast en over elkaar
te leggen, zodat het voor de ervaren therapeuten een extra hulpbron kan zijn
om op een ethische manier de eigen balans in evenwicht te brengen of houden.
Voor instellingen vind ik het heel belangrijk dat er vanuit de leiding
voldoende positieve feedback gegeven wordt, zodat de therapeut weet wat er
van haar verwacht wordt en zij het gevoel heeft hier zelf invloed op uit te
kunnen oefenen. Ook het zorgen voor voldoende supervisie geeft mogelijkheden
om de dialoog aan te gaan. Het zou zelfs een overweging kunnen zijn om
bij een sollicitatie een werkgenogram te maken om te zien of de jouw
toebedachte plaats wel de rol is die je ambieert. Of vanuit de instelling
gezien, of de kandidaat de balans van het team in evenwicht kan brengen.
Iedereen die zich herkent in de risicogroep, zou ik willen aanraden om zelf
, in intervisie, supervisie, therapie of bij een andere hulpbron aan de
balans te werken tussen zijnsloyaliteit voor het gezin van herkomst en
loyaliteitsgevoelens naar het werk, zodat het plezier in gepast geven weer
in evenwicht komt. In deze context zegt Nagy:
‘Er is een niet weg te denken correlatie tussen de mate
waarin een therapeut
energie investeert in de billijkheid
van zijn eigen relaties en de mate
waarin hij vrij kan zijn om vertrouwen te durven investeren in een
therapeutische zorgzaamheid die meer mensen omvat’.
ZIE LITERATUURLIJST
Gepast investeren in het
verleden
levert vrijheid voor de toekomst op.
|
|
 |
|
|